HomeAgendaCompetitieInformatieFotoalbumContact
Informatie
Algemene Informatie
- Schietinstructies
- Schietdisciplines
- Wapenomschrijving
- Schietreglement
 
Reglementen
- Huishoudelijk reglement
 




INLEIDING SCHIETINSTRUCTIE



De kruisboog is één van de minder bekende wapens in Nederland. Het wapen wordt vaak geassocieerd met de legende van Wilhelm Tell:

"In de tijd tussen de beide eedafleggingen (om¬streeks 1300) speelt de le¬gende van Wilhelm Tell, een boer uit Bürglen, die op be¬vel van de Habsburgse landvoogd Gessler een appel van het hoofd van zijn zoontje zou hebben moeten schieten. Na zijn onvoorzichtige mededeling dat een tweede pijl voor de landvoogd bestemd was werd hij ge¬vankelijk over het meer weggevoerd, maar door een koene sprong wist hij zich te redden. Later zou hij de landvoogd alsnog geveld hebben."
Bron: Grote Spectrum Encyclopedie

Omdat het aantal aktieve kruisboogschutters klein is, is er geen markt voor een boek omtrent schietinstructies voor het kruisboogschieten. Derhalve is getracht om een aanzet te geven tot een eigen NKB schietinstructie kruisboogschieten.




Basis voor deze instructie is de schietinstructie van Frans Eikholt aan enkele van onze leden geweest. Frans is derhalve verzocht om de tekst en de inhoud te be¬oordelen. De op- en aanmerkingen van zijn zijde zijn in deze versie verwerkt.


ALGEMEEN


Evenals het schieten met andere wapens is het kruisboogschieten een combinatie van techniek en concentra¬tie. De techniek zal in de komende hoofdstukken uitvoerig behandeld worden. Voor het verbeteren van de con¬centratie worden een aantal mogelijkheden aange¬reikt.

Om tot goede resultaten te komen moet zowel de innerlijke als de uiterlijke aanslag in orde zijn. De uiterlijke aanslag betreft zaken als:

  schiethouding stabiel en in evenwicht
  voeten optimaal contact met de grond
  moeiteloos de boog vasthouden
  ongedwongen, zonder veel spierspanning

De innerlijke aanslag heeft meer te maken met de gees¬telijke toestand tijdens de wedstrijden:

  zorgen dat het materiaal in orde is
  zonder innerlijke problemen en spanningen op de baan komen

Een hulpmiddel voor het verbeteren van de innerlijke aanslag is het maken van een checklist. Deze checklist wordt voor een wedstrijd nagelopen, zodat allerlei zaken omtrent wapen, spanner en pijl gecontroleerd worden.


DE SCHIETHOUDING



De voor het kruisboogschieten gebruikelijke staande houding is van de drie schiethoudingen (staand, knielend en liggend) de meest instabiele. Door de kleine oppervlakte waarop het totale gewicht rust en het hoge zwaartepunt bij deze houding worden extra zware eisen gesteld aan de lichaamshouding, de aanslag en de trekkertechniek. Door de spieren in benen, rug en buik op de juiste manier te gebruiken kunnen schom¬melingen opgevangen worden en is de aanslag rustig.
In de staande houding rust het volledige gewicht van schut¬ter en wapen op de voeten. Vandaar dat het van het grootste belang is om goed stevig schoeisel tijdens de wedstrijden te dragen. De voeten zijn ongeveer haaks op de schietrichting geplaatst. De afstand tussen de voeten is hierbij ongeveer 30 centi¬meter (schouderbreedte bij de heren, heupbreedte bij de dames). Worden de voeten dichter bij elkaar geplaatst, dan is de houding niet stabiel. Worden de voeten ver-der uit elkaar geplaatst, dan worden de spieren in de heupen extra zwaar belast.
De benen zijn in deze houding volledig gestrekt, waar¬door de knieën minimaal belast worden. Het gewicht moet ongeveer gelijk over de beide benen verdeeld worden.


Het boven¬lichaam wordt naar achteren en naar rechts ge¬draaid. De heu¬pen worden hierdoor naar voren gebracht. Hiermee wordt het gewicht van de boog gecom¬penseerd en komt het zwaartepunt van schutter en wapen recht boven de voeten te liggen. Wordt het bovenli¬chaam recht gehouden, dan ontstaat door het gewicht van de boog de neiging om voorover te vallen. Dit moet door de spieren gecorrigeerd worden en er ontstaat een instabiele houding.

De linker elleboog steunt op de ribben en/of de heup. Deze arm draagt nagenoeg het hele gewicht van de boog. Door de elleboog te laten steunen tegen het lichaam wordt dit ge¬wicht direct doorgegeven naar het linker¬been en de voet.
De linkerhand ondersteunt de boog bij de handgreep. De spie¬ren in de hand worden zo min mogelijk belast door de boog op de hand te laten rus¬ten en de boog niet te omklemmen. Spieren in rust zorgen voor een stabiele houding.


De rechterarm wordt ont¬spannen over de schouderhaak gelegd. Ook hier geldt weer dat het krampachtig omhooghouden van de rechterarm de stabiliteit niet ver¬hoogt.
De "haak" die gevormd wordt door de vingers van de rechter¬hand wordt gebruikt om de kolf stevig tegen de schouder te drukken. De duim heeft geen functie en wordt ontspannen. De trekkervinger dient volledig los van het hout te zijn.

De schouders zijn ontspannen en bevinden zich onge¬veer op gelijke hoogte. Als de rechterschouder omhoog¬gehou¬den moet worden, dan moet indien mogelijk de schouder¬haak naar beneden worden bijgesteld. Een krampachtige houding kan niet gedurende 24 schoten volgehouden worden.

Het hoofd moet rechtop gehouden worden, omdat zich in het oor het evenwichtsorgaan bevindt. Dit orgaan geeft reacties door als het hoofd schuin gehouden wordt. Het lichaam probeert de onbalans te herstellen. Als het hoofd daarente¬gen recht gehouden wordt is het lichaam in even-wicht, wat uiteraard de stabiliteit verhoogt. Breng daarom de kolf naar het hoofd en niet het hoofd naar de kolf.


DE STAND T.O.V. HET BLAZOEN


De stand ten opzichte van het blazoen is uitermate belangrijk. In elke stand is het wel mogelijk om het blazoen op de korrel te krijgen, maar om een zo goed mogelijk resultaat tijdens een wedstrijd te schieten mag de houding niet krampachtig zijn. Om dit te berei¬ken moet de stand zowel in de horizontale als in de verticale richting correct zijn.

De denkbeeldige lijn 'oog -> richtmiddelen -> doel' moet een opgelegde lijn zijn. Dit wil zeggen dat deze lijn door de houding, de stand en eventueel de afstel¬ling van de boog nagenoeg automatisch wordt verkregen.
Ter controle van de stand wordt de boog met gesloten ogen in de aanslag genomen. Daarna worden de ogen geopend. Komt de richtlijn in de buurt van de roos, dan is de stand ten opzichte van het blazoen correct. Sluit daarna de ogen een aantal seconden en contro¬leer weer of de roos in het vizier blijft. Is dit het ge¬val, dan behoeft de stand geen correctie.

Corrigeren van de stand in horizontale richting kan op een aantal manieren gebeuren:

  grote correcties worden bereikt door het ver¬plaatsen van de rechtervoet naar voren of naar achteren.
  kleine correcties worden bereikt door het ver¬plaatsen van de linker elleboog op de ribbenboog.
  Het verdraaien van de rechtervoet

Correcties in verticale richting kunnen bereikt worden door:

  Het verplaatsen van de linkerhand op de kolf of het verschuiven van de verstelbare handsteun.
  Het veranderen van de hoogte van de verstelbare handsteun.
  Het verschuiven van de verstelbare schouderhaak
  Veranderen van de afstand tussen de voeten

Een wapen gemaakt op het individu of met veel ver¬stel¬mogelijkheden is belangrijk voor een goede houding en stand. Als de schutter zijn houding aan moet passen op het wapen brengt dit onnodige spierspanning met zich mee, wat de stabiliteit natuurlijk niet verhoogt.

DE (VERLENGDE) RICHTLIJN


De richtlijn verloopt van het oog, via het achtervi¬zier en het voorvizier naar de roos. Het oog bevindt zich ongeveer op een afstand van 9 centimeter achter het achtervizier.

Het achtervizier is vaak een diopter, gemonteerd op een slede. Door middel van de slede kan de boog grof¬weg in horizontale rchting worden bijgesteld. De diop¬ter zelf bevat moge¬lijkheden voor de fijnafstelling in zowel horizontale als verticale richting. Voor de horizontale richting is aan de zijkant een stelschroef met schaalverdeling aangebracht. Valt het schot rechts naast de roos, dan wordt deze stelschroef rechtsom (met de klok mee) gedraaid. Valt het scho